‘De tandarts heeft twee kiezen bij mij getrokken.’ ‘Twee nog wel.’ ‘Ja, hij kon me niet terruggeven van honderd euro.’
Een vrouw maakt haar man wakker en zegt: ‘Leon, je moet je slaappil nog innemen!’
‘Mag het raam open, meester?’ ‘Waarom, Bas?’ ‘Nou thuis slaap ik ook altijd met raam open.’
Muriel: ‘Mama, waarom heb je zoveel grijze haren?’
Mama: ‘Dat komt omdat jij heel ondeugend bent.’
Muriel: ‘Aha, vandaar dat oma helemaal grijs is!’
‘Opa, u komt vast niet in de hemel.’ ‘Waarom niet, ventje?’ ‘Nou ja, zulke dikke engelen bestaan toch niet!’
Niemand is graag alleen (de gewone mensen). Kinderen die enig kind zijn hebben geen broer of zus om mee te spelen. Soms wil je alleen zijn, wan er is iets ers gebeurt. Alleen is nooit zo leuk als met meer mensen of kinderen.
Elk mens is verschillend. Ze zijn dik of dun, slim of dom, groot of klein, meisje of jongen, man of vrouw, lui of ijverig, en zo voort. Maar iedereen moet een eerlijke kans krijgen, iedereen is even veel waard.
‘Moeder waarom heeft vader zo weinig haar?’ ‘Omdat hij zo veel nadenkt.’ ‘En waarom heb jij zo veel haar?’
‘Kun jij zwemmen, Henk?’ ‘Ja juf.’ ‘Waar heb je dat geleerd?’ ‘In het waer juf.’
Gevangenisdirectuer tegen gevangenen: ‘Ik ben bestolen! Als ik erachter kom wie dat heeft gedaan, vliegt hij er op staande voet uit!’